Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

Basiswoorden les 20

Leer spelenderwijs de woorden van les 20.

AB
tumultus, -us moproer, onrust, tumult
clauderesluiten
eiecipf. van eicere i/e
eicere i/eeruit gooien, zetten
paenebijna
dexterrechts, rechter-
manus, -us vhand
missusppp van mittere
res, res v gr 5zaak, ding, situatie
subitusplotseling
alienusvreemd, van een ander, andermans
constituipf. van constituere
constituereplaatsen; vaststellen, besluiten te + inf.
atrox, atrocesafschuwelijk, gruwelijk
ferrumijzer; wapen, zwaard
haud(volstrekt) niet
altushoog; diep
moxweldra
interimintussen
apud + acc.bij
munus, munera ogeschenk; opdracht, taak
aliquotenige (mv)
per + acc.over(heen); door .. heen; door (middel van); gedurende
dies, dies mdag
ops, opem vhulp
opes, opes v mvhulpmiddelen, macht
celareverbergen
nuntiareberichten, melden
prudens, -entesverstandig
succedere + dat.opvolgen
trepiduszenuwachtig
audaciamoed, overmoed
concursus, -us moploop, geren; botsing, treffen
curiacuria, senaatsgebouw
egipf. van agere
senex, senes moude man; oud
gradus, -us mstap; trede, trap
deiecipf. van deicere i/e
deicere i/enaar beneden gooien
tranquillusrustig
metus, -us mangst, vrees
domumnaar huis
interfectusppp van interficere i/e
evocarenaar buiten roepen
appellarenoemen
iacêreliggen
flexipf. van flectere
flectere + acc.(om)buigen
scelus, scelera omisdaad
negareontkennen; weigeren

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities