Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

Les 25: Woorden

Leer spelenderwijs de basiswoorden van les 25!

AB
dies, diei mdag
haudniet, geenszins
ripaoever
talis, -isdergelijk, zodanig, zulk, zo'n, zo groot
fides, fidei vtrouw, vertrouwen, betrouwbaarheid; belofte, toezegging
plebeiusplebejer
res, rei vzaak, ding, iets; toestand, staat
quamdan
severusernstig, streng
meminisse (perf. + gen.)zich herinneren, denken aan
aithij zegt, hij beweert
aiuntzij zeggen, zij beweren
dulcis, -iszoet, heerlijk, lieflijk, aangenaam
novisse (perf.)kennen, weten
odisse (perf.)haten
facies, faciei vuiterlijk, gezicht
studêre (+ dat.)streven naar, beoefenen, bedrijven
cantarezingen
theatrumtheater
potaredrinken, opdrinken; hijsen, zuipen
decet (+ aci)het past, het behoort
abesseafwezig zijn, weg zijn, ver weg zijn, ontbreken
afuiperf. van abesse
iregaan
nimis(al) te zeer, te veel, te
vexarekwellen
paulumeen beetje, iets; korte tijd, even
omninogeheel, helemaal
abstinêre (+ abl.)zich onthouden van
abire(weg)gaan, vertrekken
quotannisjaarlijks, elk jaar
eodaarheen
libentergraag, met plezier
adducerebrengen / leiden naar, ertoe brengen / bewegen
praeter (+ acc.)langs; behalve
dolêre (+ abl./acc.)bedroefd zijn (over), treuren (om); lijden, pijn hebben, pijn doen
dolêre (+ aci)betreuren

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities