Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

Basiswoorden Caesar

Leer spelenderwijs de woorden, die Caesar vaak gebruikt!

AB
a(b)vanuit, vanaf; door
abesseafwezig zijn, ontbreken
acen, en ook
accédereer nog bij komen
accíderegebeuren
accípereontvangen, vernemen, aannemen
aciesslaglinie, slagveld
adaequaregelijkmaken, evenaren
addúcereergens heenbrengen, ertoe brengen
adiregaan naar, bezoeken
adfícereaandoen, treffen
adgrediaanvallen
adhibêreaanwenden, erbij halen
aditustoegang
adiúngerebinden aan
administrarebesturen, regelen
admirarizich verwonderen
admítteretoelaten, begaan
admodumzeer
adoléscereopgroeien
adoririaanvallen
adpropinquarenaderen
adulescensjong(e man)
adventus(aan)komst
adversusgekeerd naar, tegenover
aequaregelijk maken, evenaren
aequusrechtvaardig, billijk
aeskoper; geld
aestaszomer
aestushitte; branding, vloed, getij
aetasleeftijd
agerakker, land, gebied
agmenlegercolonne
ágeredoen, handelen, onderhandelen
alienusvreemd, van een ander
aliquieen of andere
aliquisiemand
aliquidiets
aliteranders
aliusander
alter..alterde een..de ander
altitudohoogte, diepte
altushoog, diep
amicitiavriendschap
amíttereverliezen
amplusgroot, aanzienlijk
ancepstwijfelachtig, onbeslist
angustusnauw
animaziel
animadvérterebemerken
animusgeest, moed
annusjaar
antevoor; adv. tevoren
anteponerestellen boven
apertusopen
appellareaanspreken, noemen
aptuspassend, geschikt
apud + acc.bij
arbitrarimenen, geloven
arcéssereontbieden, laten komen
armawapens
armarebewapenen, uitrusten
arskunst(vaardigheid), techniek
atmaar
atqueen, en ook
attíngereaanraken
attribúeretoedelen, toewijzen
auctoritasinvloed, aanzien, macht
audactermoedig
audêredurven
audirehoren
autof
autemechter
auxiliumhulp(troepen)
barbarusvreemd, buitenlands, onbeschaafd
bellumoorlog
bonabezittingen
breviskort
caedesmoord
caelesteshemelse goden
calamitasramp, schade
cáperenemen, grijpen
castralegerkamp
casusval, ongeval
causareden, oorzaak, (rechts)zaak
cavêreop zijn hoede zijn voor
celersnel
celeritassnelheid
celeriteradv. snel
certamenstrijd
certeadv. zeker
certuszeker, bepaald
ceterioverige(n)
circiterongeveer
circumom..heen, rondom
circumvenireomringen, omsingelen
civitasstam, staat, burgerij
classisvloot
claúderesluiten
cliensbeschermeling, horige
coepiik ben begonnen
cognóscereleren kennen; vernemen
cógerebijeenbrengen; dwingen
cohorscohort
cohortariaansporen, bemoedigen
collígereverzamelen
collisheuvel
cólerevereren
commemorarevermelden, in herinnering brengen
commendaretoevertrouwen, overgeven
commítteretot stand brengen; toevertrouwen
commoduspassend, gemakkelijk, doelmatig
communisgemeenschappelijk, algemeen
comparare(ver)werven
comperire(precies) te weten komen
complêrevullen
compluresverscheidene(n)
comprehénderegrijpen, betrappen
concéderetoegeven, toestaan
concídereinstorten
conciliumvergadering
concúrrerete hoop lopen, samenstromen
condiciotoestand
conferrebijeenbrengen
confícereafmaken, voltooien
confíderevertrouwen
conícere(bijeen) werpen
coniúngereverbinden, verenigen
coniuratiosamenzwering
conariproberen
consciuszich bewust
consequionmiddellijk volgen; bereiken; verkrijgen
conservarebewaren, behouden
consíderegaan zitten
consiliumplan; raad; advies
consísteregaan staan, halt houden
conspectusaanblik, gezicht
conspícerein het oog krijgen
constitúereplaatsen, vaststellen, besluiten
constarevaststaan
consuéscerezich gewennen
consuetudogewoonte
conténderezich haasten; strijden; zich inspannen
continensvasteland
continêrevasthouden, omvatten
contrategen(over)
controversiageschil
conveniresamenkomen, zich verenigen
convértereomkeren
copiavoorraad; overvloed; gelegenheid
copiaetroepen
corhart
coronakrans
corpuslichaam
cotidianusdagelijks
crebertalrijk
culpaschuld
cultusbeschaving, levenswijze
cum + abl.(samen) met
cum + coni.toen, nadat; omdat; hoewel, terwijl
cum + ind.wanneer; toen
cunctariaarzelen, dralen
cupiditasbegeerte, verlangen
cupidusverlangend, begerig
curareverzorgen, zorgen voor
cursuskoers
de + abl.vanaf; over
decédereweggaan
decérnerebepalen, uitspraak doen
decimustiende
decíperebedriegen, beetnemen
decretumbesluit, beslissing
dédereovergeven, uitleveren
dedúcereoverbrengen (naar)
deféndereafweren, verdedigen
deferreberichten, aanklagen
deícereneerwerpen
deindevervolgens, verder
delígereuitkiezen
demonstrare(aan)tonen, bewijzen
depéllereafslaan, verdrijven
depónereneerleggen, opgeven
descéndereafdalen
desperarewanhopen
deesseafwezig zijn, ontbreken
deusgod(heid)
dícerezeggen, spreken, noemen
diesdag; termijn
differreverschillen
difficilismoeilijk
difficultasmoeilijkheid
digitusvinger; teen
dignitaswaardigheid, aanzien
diligensnauwgezet, zorgvuldig
diligentianauwgezetheid, zorgvuldigheid
dilígerehoogachten, liefhebben
dimicarestrijden, vechten
dimítterewegzenden, weg laten gaan
discédereuiteengaan, weggaan
disciplinaleer, onderricht
díscereleren
disputareuiteenzetten
distribúereverdelen, indelen
diulange tijd
divíderescheiden, delen
divinusgoddelijk
daregeven
docêremededelen, leren
dolêretreuren
dolorverdriet, pijn
doluslist
dominusheer, meester
domushuis
druidesdruïden
dúcerevoeren; beschouwen als
dumterwijl
duotwee
duxaanvoerder, leider; gids
e(van)uit
efferreuitdragen
effíceretot stand brengen, afmaken
egêremissen; nodig hebben
egoik
egredioruitgaan, verlaten
enimimmers, namelijk
iregaan
equesruiter, ridder
equitatusruiterij
equuspaard
erípereontrukken
eten; ook
etiamook; zelfs
etsiook al, hoewel
evenireaflopen
evocareoproepen
exuit, sedert, ten gevolge van
excípereopnemen
excitareopwekken, aanvuren
exirenaar buiten gaan
exercitusleger
exiguusklein, gering
existimareschatten, menen
exitusuitgang, afloop
expeditusvrij, ongehinderd
expéllereverdrijven
exploratorverkenner
explorareverkennen
expónereuiteenzetten
expugnareveroveren
exsístereontstaan
exspectarewachten op, verwachten
extremusbuitenst, uiterst, laatst
facilisgemakkelijk
facinus(mis)daad
fáceremaken, doen
factiopartij, politieke kliek
factumdaad, feit
facultasgelegenheid
falsusonecht, vals
famagerucht
familiafamilie, huisgezin
felixgelukkig, gelukbrengend, succesvol
ferebijna, ongeveer, doorgaans, in het algemeen
ferredragen, brengen, halen; verdragen
ferrumijzer; wapen, zwaard
fidestrouw; bescherming
figuragedaante, vorm
filiadochter
filiuszoon
finirebeëindigen
finisgrens, einde; doel
finitimusaangrenzend, naburig
fieriworden, gemaakt worden, gebeuren
firmussterk, standvastig
flammavlam, vuur
fluctusgolf
flumenrivier
formavorm, gestalte, schoonheid
fortisdapper, flink
fortitudodapperheid
fortunalot, geluk
fructusvrucht, opbrengst
frumentumgraan
frustratevergeefs
fugavlucht
funusbegrafenis
gensvolk
GallusGalliër
genussoort; geslacht
géreredragen; (uit)voeren
gladius(kort) zwaard
gloriaroem, eer
gloriarizich beroemen op
gratiaaanzien, invloed
gratusaangenaam
graviszwaar, ernstig
graviter ferrekwalijk nemen
habêrehebben, houden; geloven, menen, beschouwen als
hîchier
hiemswinter
homomens, man
honoreer, ereambt
horauur, tijd
hortariaansporen
hostis(staats)vijand
huchierheen
humanitasmenselijkheid, beschaving
iactareslingeren
iamal; nu
ibidaar
idemdezelfde
idoneuspassend, geschikt
ignisvuur
ignóscerevergeven
ignotusonbekend
illedie, dat; hij, zij, het
immanisreusachtig, enorm
immortalisonsterfelijk
impedimentumbelemmering
impedimenta (plur.)zware bagage, legertros
impedireverhinderen, belemmeren
impeditusbelemmerd
impéllereaandrijven, aanzetten
imperatoropperbevelhebber
imperitusonervaren, onkundig
imperiummacht, heerschappij, opperbevel, gebied
imperarebevelen, heersen
impetusaanval; onstuimigheid
impiusgoddeloos
improvisusonvoorzien, onverwacht
in + abl.in, op, bij
in + acc.naar, in, tegen
incíderevoorvallen, zich voordoen
incitareaansporen, aanvuren
incólerebewonen, wonen
indevandaar
indúceretot iets brengen
inirenaar binnen gaan; beginnen
inferiormeer naar beneden gelegen; lager
inferrebinnendragen; aandoen
iniquusongelijk, onbillijk
initiumbegin
iniuriaonrecht, belediging
innocensonschuldig
inopiagebrek
inquitzei hij
insidiae (f.pl.)hinderlaag
institúereinstellen; beginnen; onderwijzen
institutuminstelling; gewoonte
instareop de hielen zitten
insulaeiland
intellégerebegrijpen, bemerken
inter + acc.tussen, onder
interdumsoms
intereaondertussen
interirete gronde gaan, omkomen
interfíceredoden
interimintussen
intermíttereonderbreken
interpretariuitleggen
interessezich bezighouden
invitusonwillig
ipsezelf; zelfs, juist
is, ea, iddeze, dit; die, dat; degene; hij, zij, het
itazo, op deze wijze
itaquedaarom, (en zo)
itemevenzo, eveneens
iterweg, reis, dagmars
iubêrebevelen
iudiciumuitspraak, oordeel
iudicare(be)oordelen
iusrecht
iustusrechtvaardig, rechtmatig
iuventusjeugd
iuvarehelpen
labor(zwaar) werk, moeite
laborarezwoegen, zich inspannen
laéderebeschadigen, kwetsen, schenden
latuswijd, breed
latus, lateris (n.)zijde, flank
legatiogezantschap
legatusgezant; onderbevelhebber
legiolegioen
lexwet
liberalisvrijgevig
liberikinderen
libertasvrijheid
licêregeoorloofd zijn
linguatong; taal
litteraletter
litterae (pl.)brief
lituskust, strand
locusplaats
longe (adv.) + superlat.verreweg
longuslang, ver
magismeer, eerder, liever
magistratusmagistraat; overheid
magnificusgroots, prachtig
magnitudogrootte
magnoperezeer
magnusgroot
maioresvoorouders
mandareopdragen
manushand; groep
marezee
maritimuszee-, kust-
maturusrijp, vroegtijdig
maximehet meest
medius(zich in het) midden (bevindend)
meliorcomparativus van bonus : goed
membrumlid, deel
memoriageheugen, herinnering
mensismaand
mercatorkoopman
metusvrees
meusmijn
milessoldaat
militarismilitair, leger-
militiakrijgsdienst
milleduizend
minimehet minst, helemaal niet
minúereverminderen
minusminder
mítterezenden, laten gaan
mobilisbeweeglijk, wispelturig
modusmanier
moeniastadsmuur
monêreaanraden, waarschuwen
monsberg
morbusziekte
moristerven
morarizich ophouden, verblijven
morsdood
moszede, gewoonte
motusbeweging
movêrebewegen
multitudomenigte
multusveel
munduswereld, heelal
munireversterken, bouwen
munusopdracht
murusmuur
namwant
nancisci(toevallig) krijgen, treffen
nascigeboren worden, ontstaan
natiovolksstam
naturanatuur, aard, wezen
nautaschipper, matroos
navigarevaren
navisschip
ne + coni.opdat niet
necessitasnoodzaak, nood
necaredoden
neglégereverwaarlozen
negotiumzaak
nemoniemand
nequeen niet, ook niet, maar niet, zelfs niet
neveen (opdat) niet
nexmoord, dood
nihilniets
nisials niet, tenzij
nitisteunen op
nobilisedel, beroemd, voornaam
nobilitasadel, voornaamheid
nocêre + dat.schaden, benadelen
nomennaam, begrip
nonniet
nonnullisommige(n), verscheidene(n)
nonusnegende
nosteronze
notusbekend
novissekennen, weten
novusnieuw
noxnacht
nudusnaakt, onbedekt
nullusgeen (enkel)
numtoch niet; soms?
numengoddelijke macht
numerusgetal, aantal
nuncnu
nuntiareberichten
nuntiusbode; bericht
ob + acc.wegens, vanwege; naar ... toe
obícereopwerpen
obliviscivergeten
observarein het oog houden, in acht nemen
obsesgijzelaar, gegijzelde
obtinêrebezetten, bezet houden
occíderedoden
occultareverbergen
occuparebezetten, innemen
occúrrereontmoeten, tegenkomen
octoacht
odissehaten
odiumhaat
officiumtaak, plicht
omninogeheel en al
omnisieder, geheel
onuslast
opiniomening, vermoeden
oppidum(vesting)stad
opportunusgeschikt, gunstig
opprímereonderdrukken, overweldigen
opuswerk
orakust
oratorredenaar
ordorij, ordening
oriensopkomende zon, oosten
oririontstaan, opgaan
orarebidden, smeken
osténderetonen
pacaretot vrede dwingen, onderwerpen
paenebijna
palamopenlijk, voor aller ogen
pargelijk
párcere + dat.sparen, ontzien
parêregehoorzamen
pararevoorbereiden
parsdeel, kant
passuspas, stap
patêreopenstaan, zich uitstrekken
patervader
patidulden
pauciweinige(n)
paulumeen beetje
paxvrede, vredesverdrag
pecuniageld, vermogen
pecusvee
pénderebetalen
per + acc.door .. heen, over
perdúcereoverhalen
perferreoverbrengen
periculumrisico, gevaar
permanêresteeds blijven
permovêreheftig bewegen, schokken
persequiachtervolgen
perspíceredoorzien
persuadêreoverhalen, overtuigen
pertinêre adbetrekking hebben op; zich uitstrekken tot
perturbaregeheel in verwarring brengen
pervenirebereiken
pesvoet
péterevragen, zoeken, proberen te bereiken, afgaan op
pilumspeer
planusvlak
plebsvolk
pleriquede meeste(n)
plerumquemeestal
plurimumhet meest
poenaboete, straf
polliceribeloven
pónereplaatsen, leggen
ponsbrug
populusvolk
portushaven
possidêrebezitten
possekunnen, invloed hebben, gelden
post + acc.achter, na
post (adv.)later
postquamnadat
postulareeisen
potensmachtig
potentiamacht
potestasmacht, vermogen
potiri + abl.zich meester maken van
praefícere + dat.aan het hoofd stellen van
praemítterevooruitzenden
praemiumbeloning, voordeel
praesidiumbescherming, steun, garnizoen
praestareverrichten, betonen
praeesse + dat.aan het hoofd staan van
praeter + acc.langs; behalve
praetereabovendien
prémeredrukken, in het nauw brengen
primusvoorst, eerst, belangrijkst
princepseerste, voornaamste, vorst, leider
principatushegemonie, hoogste waardigheid
priusquamvoordat
privatusparticulier
pro + abl.voor; in verhouding tot
probaregoedkeuren, waarderen
pródereprijsgeven, overleveren, meedelen
proeliumstrijd, gevecht, slag
proficiscivertrekken, oprukken
progrediverdergaan, voortgaan
prohibêreverhinderen, verbieden
proícerewegwerpen, neerwerpen
propedichtbij; bijna
propinquusdichtbij gelegen; verwant
propónerevoorleggen
propter + acc.vanwege
proptereadaarom
prosequiachtervolgen
providêrezorgen voor
provinciaambtsgebied; provincie
proximusdichtst bij
publicusopenbaar, algemeen, van staatswege
pugnagevecht
pugnarevechten
putaremenen
quaestioonderzoek
quando?wanneer?
quantumhoeveel; zoveel als
quantushoe groot; zo groot als
quarewaarom; (en) daarom
quartusvierde
quemadmodumhoe, op welke manier
quintusvijfde
quis?wie?
quid?wat?
quisquam(ook maar) iemand
quicquam(ook maar) iets
quisqueieder, elk
quisquisiedereen die
quidquidalles wat
quowaarheen
quodomdat
quoniamaangezien
quoqueook
quothoeveel; zoveel als
rarusschaars
ratio(be)rekening; manier
recensnieuw, vers
recípereopnemen
réddereteruggeven
redireteruggaan
referreterugbrengen; berichten
regiogebied, streek
regnumkoningschap; koninkrijk
régeresturen, besturen
religiogodsdienst, godsdienstig gebruik
relínquereverlaten, achterlaten
reliquusoverig
remíttereterugsturen
removêreverwijderen
remusroeiriem
repente adv.plotseling
repentinusplotseling, onverwacht
reperirevinden
reszaak, ding, aangelegenheid
resísterezich verzetten tegen, weerstaan
respondêreantwoorden
restitúereherstellen, teruggeven
retinêrevasthouden
revertiterugkeren
rexkoning
rotawiel
rursusweer
sacrificiumoffer
saepevaak
salusheil, behoud, redding
sanctusheilig, eerwaardig
satisgenoeg
saxumrots, steen
scelusmisdaad
scientiakennis
scireweten
scutumschild
sezich
se recíperezich terugtrekken
secundustweede; gunstig
sedmaar
semperaltijd
sententiamening
septemzeven
septentrionoorden
septimuszevende
sequivolgen
sermogesprek
servitusslavernij
servarebewaren, redden
servusslaaf
sials; of (misschien)
siczo, op deze wijze
sicutizoals
sidusster, sterrenbeeld
signumteken, veldteken, kenteken, signaal
silvabos
similisgelijk(end)
simuladv: tegelijk; voegw: zodra als
simulacrumbeeld
simulatquezodra
sinals echter
sine + abl.zonder
singularisafzonderlijk
singulielk afzonderlijk, telkens één
sinisterlinks
sive .. siveof .. of
sociusbondgenoot
solzon
solêregewoon zijn, plegen
sollicitareopruien
solumgrond, bodem
sólverelosmaken
spatium(tijds)ruimte
speciesuiterlijk; gezicht
spectarebekijken, kijken naar
sperarehopen
speshoop
sponte suauit eigen beweging
statimterstond
statúerebesluiten
statustoestand
starestaan
aquawater
studêrestreven, zijn best doen
studiumijver, elan
sub + abl.onder
subícerewerpen onder
subito advplotseling
subitusplotselinge
subsequi(op de voet) volgen
subsidiumsteun, hulp
succédereopvolgen, aflossen
essezijn; bestaan
summusbovenst, hoogst
súmerenemen
superiorhoger (gelegen); vroeger (van tijd)
superareoverwinnen; overleven
suppliciumdoodstraf, executie, terechtstelling
supraboven
suspicioargwaan, vermoeden
sustinêreuithouden, verdragen; tegenhouden
suuszijn, haar, hun (eigen)
tamzo(zeer)
tamentoch, echter
tandemeindelijk
tantuszo groot, zo veel
tardustraag, langzaam
telumaanvalswapen, werptuig, projectiel
temere advzomaar, blindelings
tempestasstorm
temptareproberen
tempustijd
tenêrehouden, vasthouden, bezitten
tenuisdun
tergumrug
terraaarde, land
terrêrebang maken
tertiusderde
testisgetuige
timêrevrezen
tóllereopheffen, wegnemen
totzoveel
totus(ge)heel
trádereovergeven, doorgeven
tradúcerevoeren over
trans + acc.over(heen), aan gene zijde van
transireovertrekken, overschrijden
transferreoverbrengen
tresdrie
tribúeretoedelen, toewijzen
tributumschatting, belasting
tueribeschermen
tumtoen, dan, vervolgens
turpislelijk, schandelijk
turristoren
tutusveilig
ubiwaar; zodra
ubiqueoveral
ulcisci(zich) wreken
ullus(ook maar) één, enig
ulteriorverder gelegen
ultrouit eigen beweging
undevanwaar
undiquevan alle kanten
universusgezamenlijk
unuséén
ususgebruik, nut
uterwie van beiden
uterqueelk van beide(n)
utigebruiken, benutten, omgaan met
uxorechtgenote
vadumondiepe plaats, wad
valêremacht hebben
vallumwal
vastuswoest, uitgestrekt
velof, of zelfs; bijvoorbeeld
velumzeil
véndereverkopen
venirekomen
ventuswind
vero (voegwoord)echter
versarizich ophouden in, verkeren
veruswaar, echt
vesperavond
vetusoud
vexarelastig vallen
viaweg, straat
victoriaoverwinning, zege
vidêrezien
viderischijnen
vigilianachtwake
víncereoverwinnen, zegevieren
vinculumboei
vindicareoptreden tegen, bestraffen
virman
virtusvoortreffelijkheid, deugd, moed
viskracht, macht, geweld, invloed
vitaleven
vivuslevend, in leven
vellewillen
voxstem
vulgusvolk, de grote massa
vulnerareverwonden
vulnuswond

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities