Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

4 basis syntaxis afhankelijke zin: bijwoordelijke & betrekkelijke

AB
Met welke tijd staat dum ("terwijl")?ind. praesens
Met welke tijd staan postquam, ubi, simulac?ind. pf.
Mte welke wijze staat een cum temporale?indicatief
Mt welke wijze staat een cum historicum?conjunctief
Wat is het verschil tussen een cum temporale en een cum historicum?cum temporale wijst op een tijdsverband; cum historicum wijst tegelijk op een tijdsverband én een oorzakelijk verband
Met welke wijze staat quia/quod?indicatief
Met welke wijze staat cum causale?conjunctief
Welk voegwoord met welke wijze wordt gebruikt in de bijwoordelijke bijzin van doel?ut + conj.
Wat is de ontkenning van het voegwoord van doel?(ut) ne
Op welke twee manieren kan het voegwoord van doel en de ontkenning vertaald worden?opdat (niet) / om (niet) te ... + inf.
Welk voegwoord met welke wijze wordt gebruikt in de bijwoordelijke bijzin van gevolg?ut + conj.
Wat is de ontkenning van het voegwoord van gevolg?ut non
Op welke twee manieren kan het voegwoord van gevolg en de ontkenning vertaald worden?zodat (niet)
Welk karakter geeft een conjunctief aan een betrekkelijke bijzin?nuance van doel - reden - gevolg

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities