| A | B |
| Met welke tijd staat dum ("terwijl")? | ind. praesens |
| Met welke tijd staan postquam, ubi, simulac? | ind. pf. |
| Mte welke wijze staat een cum temporale? | indicatief |
| Mt welke wijze staat een cum historicum? | conjunctief |
| Wat is het verschil tussen een cum temporale en een cum historicum? | cum temporale wijst op een tijdsverband; cum historicum wijst tegelijk op een tijdsverband én een oorzakelijk verband |
| Met welke wijze staat quia/quod? | indicatief |
| Met welke wijze staat cum causale? | conjunctief |
| Welk voegwoord met welke wijze wordt gebruikt in de bijwoordelijke bijzin van doel? | ut + conj. |
| Wat is de ontkenning van het voegwoord van doel? | (ut) ne |
| Op welke twee manieren kan het voegwoord van doel en de ontkenning vertaald worden? | opdat (niet) / om (niet) te ... + inf. |
| Welk voegwoord met welke wijze wordt gebruikt in de bijwoordelijke bijzin van gevolg? | ut + conj. |
| Wat is de ontkenning van het voegwoord van gevolg? | ut non |
| Op welke twee manieren kan het voegwoord van gevolg en de ontkenning vertaald worden? | zodat (niet) |
| Welk karakter geeft een conjunctief aan een betrekkelijke bijzin? | nuance van doel - reden - gevolg |