Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

Prepositions

AB
The dog is ON the couchDe hond ligt OP de bank
He waits FOR the busHij wacht OP de bus
She looks FOR her bookZij zoekt haar boek
You look AT your watchJij kijkt OP je horloge
Are you listening TO me?Luister je NAAR mij?
Can you give this TO him?Wil je dit AAN hem geven?
My daughter is AT schoolMijn dochter zit OP school
I have to wait FOR the trainIk moet OP de trein wachten
It's IN the neighborhoodHet is VLAKBIJ/DICHTBIJ/IN de buurt
I love dogsIk hou VAN honden
passen....op (care for) / bij (match)
vragen ... iemandaan
boos zijn ... iemandop
genieten ...van
wij luisteren ... de muzieknaar
ik ben bang .... de hondvoor
hij lijkt .... zijn vaderop
ik kom .... de treinmet
... 5 over 1om/na/tot etc.
zeggen ... iemandtegen
zoeken ...(naar)
denken ....aan
wachten ...op
ik ga ... huisnaar
zin hebben ...in


Lerares Nederlands als tweede taal
Stand-By Bussum
Bussum

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities