Java Games: Flashcards, matching, concentration, and word search.

Basiswoorden Ovidius en Vergilius CE 2005

Leer spelenderwijs de basiswoorden bij de teksten van Ovidius en Vergilius!

AB
a(b) + abl.vanuit, vanaf; door
abireweggaan
absens, absentisafwezig
abesseafwezig zijn, ontbreken
acen, en ook
accederenaderen, erbij komen
accipereontvangen; vernemen, begrijpen
acies, aciei fslaglinie, slagveld
ad + acc.naar; tot; bij
adderetoevoegen
adhuctot nu toe, nog
adimerewegnemen, ontnemen
aditus, aditus mtoegang
adiuvarehelpen
admonêrewaarschuwen; aan iets herinneren; aansporen
admovêreerbij brengen; doen naderen
adventus, adventus mkomst, aankomst
aequor, aequoris nzee
aer, aeris mlucht
aestus, aestus mhitte; branding, stroming, getij
aeternuseeuwig
ageredoen, handelen, onderhandelen
aitzegt hij; zei hij
aliqui, aliquae, aliquodeen of ander
aliquisiemand
aliquidiets
aliter (bijwoord)anders
alerevoeden, grootbrengen
alter, altera, alterumde een / andere (van twee)
altushoog; diep
ambirerondgaan; stemmen werven
ambo, ambae fbeide
amicusvriend; bevriend
amnis, amnis mrivier
amarehouden van, liefhebben, verliefd zijn
amor, amoris mliefde
anof soms
animaadem, leven, ziel
animusgeest, ziel, hart; moed
annusjaar
ante + acc.voor
ante (bijwoord)tevoren, vroeger, daarvoor, eerder
aptuspassend, geschikt
aquawater
araaltaar
arbor, arboris fboom
ardêrein brand staan; branden van verlangen
arduussteil; moeilijk
arma, armorum n plwapens; gereedschappen
ars, artis fkunst, kunstvaardigheid; wetenschap
arvumland
arx, arcis fburcht
adesseaanwezig zijn, deelnemen; bijstaan, helpen (+ dat.)
atmaar, echter, daarentegen
ater, atra, atrumzwart, donker, somber
atqueen, en ook
attingereaanraken
auctor, auctoris minitiatiefnemer, maker, schrijver
audax, audacismoedig; overmoedig
audêredurven, wagen
audirehoren; vernemen
auferrewegnemen, roven
aurabriesje, wind, lucht
auris, auris foor
aurumgoud
auspiciumvogelschouw, voorteken
autof
autemechter
avarushebzuchtig, gierig
avertereafwenden
avidusverlangend, begerig
barbarusvreemd, buitenlands; onbeschaafd
bellumoorlog
bene (bijwoord)goed
bracchium(de) arm
brevis, breviskort (van plaats en tijd)
caderevallen
caedes, caedis fmoord, bloedbad; bloed
caederevellen; doden
caelumhemel; weer; klimaat
capillus(de) haar
caperenemen, grijpen
caput, capitis nhoofd, kop
carêre + abl.missen, ontberen
carmen, carminis nlied, gedicht, toverspreuk
carpereplukken
caruslief, dierbaar; duur, kostbaar
casus, casus mval, toeval, ongeval
caudastaart
cederegaan; wijken
celer, celerissnel
celareverbergen, verhullen
cernerezien, onderscheiden
certarewedijveren, strijden
certuszeker, bepaald
cibusvoedsel
cingereomgorden; omgeven, insluiten
circum + acc.om ... heen, rondom
circumdareomgeven
clamareschreeuwen, roepen
clamor, clamoris mgeschreeuw
clarushelder; beroemd
classis, classis fvloot; afdeling; stand, klasse
cognoscereleren kennen, vernemen
cogerebijeenbrengen; dwingen
colereverzorgen; bebouwen; vereren, aanbidden
color, coloris mkleur
comes, comitismetgezel, begeleider
commendaretoevertrouwen; aanbevelen
communis, communisgemeenschappelijk, algemeen
componeresamenstellen; vervaardigen; ordenen; beslechten
concipereopnemen, ontvangen; waarnemen
concitareaanzetten, opruien
concutereschokken, hevig schudden
conicerebijeenwerpen; gissen, concluderen
coniunx, coniugisechtgenoot, echtgenote
conariproberen
consciusop de hoogte, zich bewust
conscius (als subst.)medeplichtige, vertrouweling
consideregaan zitten, zich vestigen
consisteregaan staan, halt houden
conspiceregewaarworden, zien, bekijken
consumereverbruiken, besteden, opeten
contentustevreden
contra + acc.tegen, tegenover
contra (bijwoord)ertegenover, daarentegen
contrariustegenoverliggend, tegen(over)gesteld
conveniresamenkomen, zich verenigen
copiavoorraad, overvloed; gelegenheid
cor, cordis nhart
corpus, corporis nlichaam, lijf; lijk
crederegeloven; toevertrouwen
crearescheppen, voortbrengen; kiezen
cresceregroeien
crimen, criminis nbeschuldiging; misdaad
crinis, crinis mhaar
crudelis, crudeliswreed
cruor, cruoris mbloed; moord
cultus, cultus mverzorging; levenswijze, beschaving
cum + ind.toen, terwijl; (telkens) wanneer; toen (plotseling)
cum + coni.toen, omdat, hoewel, terwijl
cum + abl.samen met, in gezelschap van
cuperewensen, verlangen, begeren
cur?waarom?
curazorg, verzorging
custos, custodisbewaker
de + abl.van, vanuit, vanaf; over, betreffend
deagodin
debêremoeten, verschuldigd zijn
deferremelden, berichten; aanklagen
deficereopraken, afnemen, bezwijken; ontrouw worden
deindevervolgens, verder
demittereomlaag zenden, laten zakken
dens, dentis mtand, kies
deponereneerleggen, opgeven
desererein de steek laten
desinereophouden
desistereophouden
deusgod, godheid
dexterrechts, rechter; rechterhand
dicerezeggen, spreken; noemen
dictumwoord, uitspraak
differreuitstellen; verschillen
dignus + abl.waardig, waard
dirusafschuwelijk
discedereuiteengaan, weggaan
discernere(af)scheiden, onderscheiden
diulange tijd
diversustegenovergesteld, verschillend
dives, divitisrijk
dividerescheiden, (ver)delen
divusgoddelijk, vergoddelijkt
daregeven
dolor, doloris mverdriet, pijn
doluslist
dominameesteres, (huis)vrouw
dominusheer (des huizes), meester, eigenaar
domus, domus fhuis
donumgeschenk
dubitaretwijfelen, aarzelen
dubiustwijfelachtig
ducerevoeren, leiden, brengen; geloven, menen, beschouwen als
dulcis, dulciszoet, aangenaam
dum + indic. praes.terwijl
dum + indic.zolang als; totdat
dum + coni.mits, als ... maar
dum(modo) + coni.mits, als .. maar
duo, duae, duotwee
durushard
e(x) + abl.uit, vanuit; sinds; ten gevolge van
edereeten
educareopvoeden
efferreuitdragen; voortbrengen; verheffen
efficeretot stand brengen; bereiken
egoik
egredinaar buiten gaan / komen; verlaten
enimimmers, namelijk, want
ensis, ensis mzwaard
iregaan
epulae f plmaaltijd
equidemik voor mij
equuspaard
ergodus, daarom
erigereoprichten
eripereontrukken
erraredwalen; zich vergissen
eten, ook
etiamook, zelfs
evenireuitkomen, aflopen, gebeuren
excedereuitgaan, naar buiten gaan, zich verwijderen
excipereopnemen, op zich nemen; uitzonderen
exirenaar buiten gaan, weggaan
exercêreoefenen, uitoefenen
exigerevoltooien; opeisen
exiguusklein, gering, onbelangrijk
expellereverdrijven, verbannen
exstinguere(uit)doven, blussen; verdelgen
exsultarejuichen
exterusvan elders, buitenlands
extremusbuitenst, uiterst, laatst, verst
facies, faciei fgestalte, gezicht
facinus, facinoris ndaad; schanddaad, misdaad
faceremaken, doen
factumdaad, feit
fallerebedriegen
famagerucht; (goede / slechte) naam, reputatie
fames, famis fhonger
fas ngoddelijk recht, gebod
fateribekennen
fatigarevermoeien, afmatten
fatumgodsspraak; noodlot
fauces, faucium f plkeel
favêre + dat.begunstigen
felix, felicisgelukkig, succesvol; gelukbrengend
feminavrouw
ferawild dier
ferredragen, brengen, halen; verdragen
ferrumijzer; wapen, zwaard
feruswild, ongetemd, woest
fessusvermoeid, uitgeput
festusfeestelijk, plechtig
fides, fidei fvertrouwen; trouw, betrouwbaarheid; bescherming, steun
fidustrouw; betrouwbaar
figerevasthechten, bevestigen; doorboren
filiadochter
fingerevormen; verzinnen
finirebegrenzen, beëindigen
finis, finis mgrens, einde, doel
fieriworden; gemaakt worden; gebeuren
flammavlam, vuur
flecterebuigen
flêre + acc.huilen (om)
florêrebloeien
flumen, fluminis nrivier
foedus, foederis nverdrag
fons, fontis mbron, oorsprong
farispreken
formavorm, gestalte, uiterlijk; schoonheid
forte (bijwoord)toevallig
fortis, fortissterk, dapper
frangere(iets) breken
frater, fratrisbroer
frigus, frigoris nkou
frons, frontis fvoorhoofd, gezicht; voorkant
frui + abl.genieten van
frustratevergeefs, zonder gevolg
fugavlucht
fugerevluchten (voor + acc.), mijden
fundamentumfundament, grondslag
fundere(uit)gieten; verstrooien, verdrijven
fungi + abl.verrichten, volbrengen
funus, funeris nbegrafenis; ondergang
gaudêrezich verheugen, blij zijn
gaudiumvreugde, plezier
gelidus(ijs)koud
geminustweeling-; dubbel, beide
gereredragen, voeren; verrichten, doen
gloriaroem, eer
gradus, gradus mstap, trede, rang
gratusdankbaar; aangenaam, gewenst
gravis, graviszwaar, gewichtig, ernstig
habêrehebben, houden; geloven, menen, beschouwen als
habitare(be)wonen
haerêrevastzitten, blijven steken
harenazand
haudniet
haurirescheppen, drinken
herbagras, kruid, plant
heuach, wee
hichier
hinchiervandaan, hierna
homo, hominis mmens, man, kerel
horauur, tijd
horrêrehuiveren, beven
hostis, hostis mvijand, staatsvijand
huchierheen, hier
humus faardbodem, grond
iacêreliggen
iamal, reeds, nu, spoedig
ibidaar
idem, eadem, idemdezelfde
ignis, ignis mvuur
ignoscerevergeven, niet kwalijk nemen
ille, illa, illuddie daar
illicdaar, ginds
illucdaarheen, daar
imago, imaginis fbeeld, afbeelding
imperiummacht, heerschappij, opperbevel; gebied
imperarebevelen, beheersen
imusonderst, laagst
in + acc.in, naar (binnen), naar (.. toe)
in + abl.in, op, bij
inanis, inanisleeg, waardeloos, ongegrond
incederevoortschrijden, oprukken; overmeesteren
incenderein brand steken, aanvuren
incertusonzeker, onbepaald
incidereterecht komen in, voorvallen
inciperebeginnen
indignus + abl.onwaardig
iners, inertisonhandig, onbekwaam, traag
infans, infantisklein kind, baby
ingeniumaard, karakter; aanleg, talent
ingredibinnengaan; zich met iets inlaten, beginnen met iets
inimicusvijand, vijandig
iniuriaonrecht, belediging
inquitzegt hij, zei hij
insciusonwetend, onkundig
intendere(in)spannen; van plan zijn
inter + acc.tussen, te midden van, onder
intereaondertussen
interior, interiorismeer naar binnen gelegen, inniger
intra + acc.binnen
intra (bijwoord)binnen(in)
intrarebinnentreden
invaderebinnendringen, aanvallen
invenirevinden, ontdekken
invidêre + dat.benijden
invidiahaat, afgunst, jaloezie
invitusniet willend, onvrijwillig
ipse, ipsa, ipsumzelf, juist, op zichzelf; alleen
iratoorn
irasci + dat.boos / woedend worden / zijn op
is, ea, idhij, zij, het; deze, dit; die, dat
iste, ista, istuddie daar, dat daar
itazo, op deze wijze
iter, itineris nreis, mars, tocht; weg, straat, pad
iterumvoor de tweede keer, weer
iubêrebevelen
iungereverbinden, verenigen
ius, iuris n(het) recht
iustusrechtvaardig, rechtmatig
iuvathet doet (iemand [acc.]) genoegen
iuvenis, iuvenisjong; subst. jongeman, jonge vrouw
iuvarehelpen
labor, laboris mwerk, inspanning, ellende
lacrimatraan
lacus, lacus mmeer
laetusblij, opgewekt, vrolijk
latêreverborgen zijn, zich schuilhouden
latus, lateris nzijde, zijkant, flank
laus, laudis flof, roem, verdienste
legereverzamelen; kiezen; lezen
lenis, leniszacht, kalm
leo, leonis mleeuw
levis, levislicht, lichtzinnig
liberarebevrijden, vrijlaten
libido, libidinis flust
lignumhout
linguatong; spraak, taal
lis, litis fruzie, onenigheid; proces
litus, litoris nkust, strand
locareplaatsen, leggen, zetten
locusplaats, oord, plek
longuslang
loquispreken, praten; zeggen
luctus, luctus mrouw, droefheid
lumen, luminis nlicht; lamp; blik, oog
lunamaan
lupuswolf
lux, lucis flicht; aanbreken van de dag
maerêrebedroefd zijn
maestusbedroefd
magismeer, eerder, liever
magnusgroot
maior, maioriscomparativus van magnus
malumkwaad, ongeluk
malusslecht
mandatumopdracht
mandareopdragen
manêreblijven, wachten
manus, manus fhand
mare, maris nzee
mater, matrismoeder
materiastof, materiaal, onderwerp
maximussuperlativus van magnus
mediuszich in het midden bevindend, middelst
melior, melioriscomparativus van bonus
membrumlid, deel; plur.: ledematen
meminisse pf. + gen.zich herinneren, denken aan
memor, memoris + gen.denkend aan, zich herinnerend
mens, mentis fverstand, geest, gedachte; gezindheid
mensatafel; maaltijd, eten
mensis, mensis mmaand
merêreverdienen, zich verdienstelijk maken
metuerevrezen, bang zijn
metus, metus mvrees, angst
meusmijn
minae, minarum f (plurale tantum)dreigement(en)
minimussuperlativus van parvus
minor, minoriscomparativus van parvus
minuereverminderen
minusminder
mirarizich verwonderen, bewonderen
miscêremengen
miserongelukkig, ellendig
mitterezenden, laten gaan
modozojuist, pas geleden; alleen, slechts
modusmaat, manier
mollis, molliszacht
monêrewaarschuwen; aan iets herinneren; aansporen
mons, montis mberg
moraoponthoud, uitstel
morbusziekte
moristerven
morarizich ophouden, talmen
mors, mortis fdood
mortalis, mortalissterfelijk
motus, motus mbeweging
movêrebewegen; indruk maken op
multusveel, talrijk
munus, muneris nambt, taak; geschenk
murusmuur
mutarewisselen, ruilen; veranderen
namwant
narrarevertellen
natadochter
naturanatuur, aard, wezen
natuszoon
ne + coni.opdat niet
necen niet, ook niet, maar niet, zelfs niet
nefas nonrecht, zonde, misdaad
negareontkennen, zeggen dat niet, weigeren
nemo, neminisniemand
nepos, nepotiskleinzoon; neef
nequeen niet, ook niet, zelfs niet, maar niet
nervuspees; spier
nescireniet weten, niet kennen
neveen (opdat) niet
nex, necis fmoord, dood
nigerzwart, somber
nihil / nilniets
nimiuste groot; zeer groot
nisials niet, tenzij
nocturnusnachtelijk
nomen, nominis nnaam, benaming
nominare(be)noemen, een naam geven
nonniet
nondumnog niet
noswij
nosteronze
notusbekend
novusnieuw
nox, noctis fnacht
nubes, nubis fwolk
nullusgeen
numen, numinis nwil, gebod; goddelijke macht
numquamnooit
nuncnu
nuperonlangs, kort geleden
obscurusdonker, duister
obstare + dat.in de weg staan, hinderen
occidereondergaan
oculusoog
odisse pfhaten
offerreaanbieden
officiumdienst; plicht
olimeens, ooit
omnis, omnisgeheel; elk, ieder
opes, opum f plhulpmiddelen; rijkdom, macht
optimussuperlativus van bonus
optarewensen
opus, operis nwerk, bouwwerk, vestingwerk
orbis, orbis mkring, wereld
ordo, ordinis mrij, ordening, stand
oriensopkomende zon, oosten
orarespreken; verzoeken, bidden
os, oris nmond, bek, gezicht
osculumkus
otiumvrije tijd, rust
palus, paludis fmoeras
parens, parentisvader; moeder; plur.: ouders
parerevoortbrengen, baren; verwerven
pariterop gelijke wijze, evenzeer
pararevoorbereiden, van plan zijn; verkrijgen, zich verschaffen, verwerven
pars, partis fdeel, kant
parvusklein
passus, passus m(dubbele) pas / stap
pater, patrisvader
patidulden, lijden
patriavaderland
patriusvaderlijk, voorvaderlijk
paulatimlangzamerhand
pax, pacis fvrede, vredesverdrag
pectus, pectoris nborst, hart
pellere(ver)drijven; stoten, slaan
pendêrehangen, zweven
per + acc.door(...heen), over(...heen)
peragerevoltooien
percuterehevig slaan; doorboren, doden
perderete gronde richten; verliezen
perireten onder gaan, omkomen, verdwijnen
perfidustrouweloos, onbetrouwbaar
periculumproef(neming); gevaar, risico
persequiachtervolgen, inhalen
pervenirebereiken
pes, pedis mvoet
peteretrachten te bereiken; gaan naar; streven naar; aanvallen; vragen
pietas, pietatis fplichtsgevoel, vroomheid, genegenheid
piscis, piscis mvis
piusplichtsgetrouw, vroom, toegewijd
placêrebevallen, in de smaak vallen
placiduskalm
plenus + gen./abl.vol
plures, pluriumcomp. van multi
plurimisuperlat. van multi
plusmeer
poenaboete, straf
pondus, ponderis ngewicht
ponereplaatsen, zetten, leggen
populusvolk
portaredragen
poscereeisen
possidêrebezitten
possekunnen; invloed hebben, gelden
post + acc.achter, na
post (bijwoord)daarna, later
postquamnadat
postulareeisen
potestas, potestatis fmacht, bevoegdheid; mogelijkheid
potior, potiorisvoortreffelijker, belangrijker
praebêreverschaffen
praeceps, praecipitishalsoverkop, haastig; steil
praeciperevoorschrijven, onderricht geven
praeferreaan de dag leggen; de voorkeur geven
praemiumbeloning, voordeel
praeter + acc.langs; behalve
premeredrukken, in het nauw brengen
primumvoor de eerste maal, ten eerste
primusvoorst, eerst, belangrijkst
prior, priorisvroeger, eerder, belangrijker
prius (bijwoord)vroeger, eerder
pro + abl.voor; in vergelijking met; wegens
procul (bijwoord)in / uit de verte, ver weg
prohibêreverhinderen, verbieden
proles, prolis fkind, nakomeling; nageslacht
propriuseigen, eigenaardig
prospicerevooruitzien, voorzien
publicusopenbaar, algemeen, officieel, staats-
pudor, pudoris mschaamte, schroom
puellameisje
puerkind, jongen, slaaf
pugnarevechten
pulchermooi, voortreffelijk
quaererezoeken, vragen
qualiszodanig als, zoals
quamhoe! wat!
quam (bij comparat.)dan
quam + superlat.zo ... mogelijk
tam ... quamzo ... als
quamvishoezeer ook, willekeurig
quamvis + coni.hoewel
quando?wanneer?
quantushoe groot, zo groot als
-queen
queriklagen
qui, quae, quoddie, dat, welke (pron. relat.)
quiaomdat
quicumquewie ook maar, welke ook maar
quies, quietis frust, ontspanning
quin + indic.waarom niet?
quin + coni.of, dat
quinquevijf
quis?wie?
quid?wat?
quisqueieder, elk
quisquisal wie, wie ook maar
quidquidal wat, wat ook maar
quoniamaangezien
quoqueook
quotienshoe vaak, zo vaak als
rapereroven
recens, recentisnieuw, vers
recipereterugnemen, terugtrekken; opnemen
rectusgoed, juist
reddereteruggeven; maken tot (+ dubbele acc.)
redireteruggaan, terugkeren
referreberichten, rapporteren
regnarekoning zijn, heersen
regnumkoningschap; koninkrijk
regeresturen, besturen; richten
relinquereverlaten, achterlaten
remittereterugsturen, loslaten
removêreverwijderen
remusroeiriem
repellereterugdrijven, afwijzen
reperirevinden, terugvinden
repetereterugvragen; herhalen
requiescereuitrusten, zich ontspannen
requirereopzoeken, verlangen
res, rei fzaak, ding, aangelegenheid
respicereomkijken; rekening houden met
respondêreantwoorden
restareoverblijven, over zijn, nog niet gedaan zijn
revertiterugkeren, terugkomen
rex, regiskoning
ripaoever
rogarevragen
ruinainstorting; pl. puinhoop
rumpere(iets) breken
ruererennen; doen instorten
rursusweer
rusticuslandelijk, boers; subst. boer
sacrumheiligdom; offer; pl.: godsdienst
saeculumtijdperk; generatie; eeuw
saepevaak
saevuswoest, woedend
salutaregroeten, begroeten
sanctusheilig, eerwaardig
sanguis, sanguinis mbloed, (levens)kracht
satisgenoeg
saxumrots, steen
scelus, sceleris nmisdaad, misdadigheid
sezich
secundustweede; gunstig
sedmaar
sedêrezitten
sedes, sedis fzetel, woonplaats
semperaltijd
senex, senisoud; oude man
sententiamening, spreuk
sentirewaarnemen, voelen, ervaren, (be)merken; menen, denken
septemzeven
sepulcrumgraf, grafteken
sequivolgen, meegaan
sermo, sermonis mgesprek, taal
servarebewaren, redden
sexzes
sials; of (misschien)
siczo, op deze wijze
sidus, sideris nster, gesternte, sterrenbeeld
signumteken, veldteken, signaal, kenteken
silvabos
similis, similisgelijk(end)
simul (bijwoord)gelijktijdig, tegelijk
sine + abl.zonder
sinerelaten, toelaten
sinus, sinus m(zee)boezem, golf
sitis, sitis fdorst, droogte
sociusgemeenschappelijk; subst.: makker, bondgenoot
sol, solis mzon
solêregewoon zijn, plegen
solumgrond, bodem
solusalleen
solverelosmaken, bevrijden; betalen
somnusslaap
soror, sororiszuster
sors, sortis flot
spatiumruimte, afstand; (tijds)duur, periode, termijn
spectarebekijken, kijken naar
spernereversmaden
sperareverwachten, hopen
spes, spei fverwachting, hoop
spiritus, spiritus mluchtstroom, wind; adem(haling), leven
spirareblazen, ademen, leven
sponte (abl.)uit zichzelf, vanzelf
statuereplaatsen; vaststellen, besluiten
stipes, stipitis mblok hout, tak
starestaan
studiumijver, streven, voorliefde, studie
sub + acc.(tot) onder; kort voor / na
sub + abl.onder
subiregaan / komen onder, naderen
subito (bijwoord)plotseling
subitusplotseling (bijv. nw.)
succedereopvolgen, aflossen
essezijn, bestaan; toebehoren aan
summusbovenst, hoogst
sumerenemen
super + acc.boven, over
superide hemelingen, (hemel)goden
superareovertreffen, overwinnen; overleven (+ dat.)
superesseover zijn, overblijven
supplex, supplicissmekend
suppliciumzware straf, doodstraf, executie
supremushoogst, bovenst, laatst
surgereopstaan, overeind komen, opkomen (van hemellichamen)
sustinêreuithouden, verdragen
suuszijn, haar, hun (eigen)
tacituszwijgend, stil
taliszodanig, zulk, zo'n
tamzo(zeer)
tamentoch, echter
tandemeindelijk
tangereaanraken
tantumslechts
tantuszo groot, zoveel
tardustraag, langzaam
tecta n pldaken, huis
tegeredekken, bedekken, beschutten
tellus, telluris faarde, (moeder) Aarde
telumaanvalswapen, werptuig, projectiel
templumheilige plek, heiligdom, tempel
temptareproberen; betasten
tempus, temporis ntijd
tenderespannen, streven
tenêrehouden, vasthouden, bezitten
tenuisdun, armoedig, zwak, ijl
tergumrug
terraaarde, land
terrêrebang maken, schrik aanjagen
timêrevrezen, bang zijn
timidusbang, angstig
tollereopheffen; aanheffen; wegnemen
totzoveel
totusheel
tradereovergeven; overleveren
traheretrekken, slepen; rekken
transireoversteken, gaan over
tremeretrillen
tres, tria, gen. triumdrie
trististreurig, somber, droevig
tujij, u
tueribeschermen
tumtoen, dan, vervolgens
turbaverwarring; (verwarde) menigte
turbarein beweging brengen, omwoelen
turpislelijk, slecht
tutusveilig
tuusjouw, uw
tyrannustiran
ubiwaar
ulcisciwreken, zich wreken op
ullus(ook maar) enig
ultimusverst, uiterst, laatst
ultra + acc.aan de andere kant van, verder dan, meer dan
ultra (bijwoord)aan de andere kant, verder; langer
umbraschaduw
umquamooit
undagolf
unuséén
urbs, urbis fstad
urereverbranden
usque (bijwoord)ononderbroken
usus, usus mgebruik, nut, omgang
ut + coni.(op)dat, om te; zodat
ut + indic.zoals; toen
uterqueelk van beide(n), beide(n)
utinamo dat toch, als toch
vacareleeg, vrij zijn van (+ abl.)
vacuusleeg, vrij van (+ abl.)
vale! valete!het beste! tot ziens!
valêresterk zijn, gezond zijn; invloed / macht hebben; waard zijn, gelden
validussterk, gezond
vallis, vallis fdal
variusverschillend, bont
velof (ook), of zelfs, bijvoorbeeld
velumzeil
velutzoals, alsof, als het ware
vendereverkopen
venenumgif, toverdrank
venirekomen
ventuswind
verbumwoord
versarizich ophouden, zich bevinden
verteredraaien, wenden
verowerkelijk; maar, echter
veruswaar, werkelijk, echt
vesterjullie, uw
vestigiumspoor, voetspoor
vestis, vestis fkleding(stuk), kleren, kleed
vetareverbieden
viaweg, straat
vicinusnaburig, in de buurt; subst. buurman
victor, victorisoverwinnaar; adi.: zegevierend
vidêrezien
viderischijnen
vigilarewaken, wakker zijn
vinc(u)lumboei
vincereoverwinnen, zegevieren
virman, echtgenoot
virgo, virginisjonge vrouw, maagd
virtus, virtutis fvoortreffelijkheid, deugdzaamheid, dapperheid
vis fkracht, sterkte, geweld; macht, invloed
viscera n plingewanden
vitaleven, leefwijze
vitiumfout, gebrek
vitarevermijden, ontwijken
vivereleven
vivuslevend, in leven
vixnauwelijks, met moeite
vocareroepen, noemen
vellewillen
volverewentelen, rollen
vosjullie, u
votumgelofte, wens
vox, vocis fstem, woord
vulgus nvolk, de grote massa
vulnus, vulneris nwond
vultus, vultus mgelaatsuitdrukking, gezicht


Murmelliusgymnasium
Alkmaar

This activity was created by a Quia Web subscriber.
Learn more about Quia
Create your own activities